Liesbeth Mende: Melige appel (uit 'Zonder dinges', 12-06-10)

Ik neem een hap uit een melige appel.
Mijn vader doopte zijn stukjes appel in een sausje van ketjap en sambal.
Precies 24 jaar geleden ging hij dood.
Darmkanker.
De begrafenis was gezellig.
Iedereen lachte naar me.
Iedereen vond me aardig, omdat mijn vader dood was.
Gestorven, zegt mijn oom.
De vader van mijn vader is al 70 jaar dood.
Hij ligt aan de andere kant van de wereld.
Mijn oom vliegt er elk jaar naar toe om de steen op te poetsen.
Op de begrafenis kreeg ik van een dikke mevrouw een glazen pot vol chocolade schijven.
Ronde, chocolade schijven met kleine witte bolletjes erop.
De zon straalde, alle schijfjes plakten aan elkaar.
Thuis heb ik de pot in de koelkast gezet.

In het ziekenhuis viel zijn tand uit zijn mond.
Een papa zonder tand.
Ik vond het stoer.
Ik kon niet wachten tot ik het op school kon vertellen.

Het is alweer een poosje geleden dat er iemand dood ging.
De laatste was tante Onnie.
Darmkanker.
Ze had het al jaren.
Ze at altijd droge biscuitjes.
Ik wilde ze proeven, die biscuitjes, maar ik kreeg gewoon appeltaart.

Tante Bolle had een waterhoofd en hele kleine oogjes.
Tante Ettie leek op een filmster.
Haar zwarte haren in krullen rond haar gezicht, een moedervlek siert haar wang.
Op geen enkele foto lacht ze.
Tante Co keek naar drie televisies tegelijk. Ze stonden boven op elkaar gestapeld.
Ik weet niet eens waar ze begraven liggen.

Oom Jan kreeg een hartaanval in de supermarkt.
Oom Jan was aangetrouwd.

De melige appel plakt aan mijn tong.
Wist ik maar hoe je dat sausje van ketjap en sambal maakt.

Soms kun je van roken kanker krijgen.
Of soms zit het gewoon in je tiet.
In een bobbeltje.
We moeten aan onze tieten voelen voor bobbeltjes.
Ik voel er niet aan.
Als ik kanker krijg, is het in mijn darmen.

Er zijn er nog twee dood.
Emile en Agnes.
Het kleine broertje en de grote zus.
Een jaar geleden wist ik niet eens dat ze bestonden.
Nu zijn ze alweer dood.
Blijft er ééntje over.
De oom die nooit dood zegt, maar gestorven.

Ik ben het jongste nageslacht.
Als ik dood ben zijn we uitgeroeid.
Onze naam in gouden letters op zwart marmer.
Opgegeten door de kanker.